Super Calleeuw

Deze column verscheen in de Krant van West-Vlaanderen op 4/07.

Momenteel sluimert een vreemd ziektebeeld in het peloton. De voornaamste symptomen zijn neerslachtigheid, gelatenheid en een bijna totaal gebrek aan vechtlust. De aanstoker van dit ziektebeel heeft een naam, nl Joeri Calleeuw. De Zedelgemnaar behaalde vorige week in De Panne reeds zijn dertiende overwinning van het seizoen, daags nadat hij de zware interclub van Geluwe ook al op zijn naam schreef. Wie dacht dat Calleeuw het wat rustig aan zou doen in het criterium van De Panne heeft het verkeerd voor. Net zoals eerder in Lovendegem heeft hij enkel de tweede niet gedubbeld. Het ganse peloton werd nog maar eens belachelijk gemaakt.

Belachelijk worden we met Calleeuw wel gemaakt. Moesten we al allures hebben, dan worden we door Calleeuw zeker met beide voeten op de grond geplaatst. Want ten op zichte van hem stellen we niks voor. De helft van het peloton doet al lang geen moeite meer om mee op zijn wiel te springen. Recent reed ik een koers in Geluwe. Met 23 man waren we voorop gekomen en Calleeuw had de trein gemist. Met 23 man gaven we het volle pont, velen roken eindelijk eens hun kans. Maar helaas, drie ronden voor het einde kwam The Boss aansluiten en orde op zaken sluiten. Wie het toch aandurft om met Calleeuw in de aanval te trekken wordt meestal veroordeeld tot aanhangwagen tot ze er soms met het schaamrood op de wangen gewoon afschieten.

Hoe het komt dat Calleeuw nog nooit geen prof is geworden, is mij een groot raadsel. Toen ik hem de vraag stelde begin dit jaar, na zijn overwinning in Gent-Staden, bleek er toch elk jaar wel iets te zijn geweest, waardoor het telkens nipt misliep. Nochtans kon ieder persoon dat zich een beetje scout noemt vorig jaar al weten dat Calleeuw dit jaar zou vliegen. Na een gevaarlijke operatie vorig voorjaar aan een slagader in de lies, revalideerde Calleeuw heel snel. Zijn vechtlust is bewonderenswaardig, net als zijn motor. Ik herinner me één van zijn eerste koersen in Handzame eind mei. 34 renners en het peloton spatte telkens in twee. Ik zat telkens in het tweede deel met Joeri, maar telkens kwam de tweede groep terug door het labeur van Calleeuw. Op het einde van de wedstrijd had hij nog een klein prijsje, maar het typeerde zijn vechtlust. Het programma dat hij daarna afwerkte was om van achterover te vallen en telkens werd hij beter. In september was er al geen houden meer aan.

Alhoewel hij het nog niet tot broodrenner heeft kunnen schoppen kiest de werknemer van Shifting Gears, niet voor het makkelijke geldgewin. Hij blijft voor de sportieve uitdagingen kiezen van profwedstrijden, interclubs, tijdritten, granfondo’s tot koersen in Afrika. Een sportman in hart en nieren, die ook af en toe de organisatie nog pleziert door na de koers met zijn supporters nog een consummatie te genieten. Dat is zeker en vast ook de reden waarom niemand in het peloton er momenteel ook maar aan denkt om zijn superioriteit te linken aan doping.

Joeri, ik hoop van harte dat je toch nog ooit prof kunt worden, zodat wij voor een tijdje van u verlost zijn.